Waar was ik ook alweer gebleven? Juist, Bangkok. Again. Het is ongeveer een week geleden sinds het leger de protesten van de roodhemden brutaal de kop heeft ingedrukt, en ik heb de indruk dat het toerisme door het aanhoudende geweld toch een knauw heeft gekregen (ondertussen zijn visums naar Thailand gratis geworden trouwens, kwestie van de interesse weer wat op te vijzelen). Je zou voor minder, gezien het zichtbaar verhoogde aantal agenten op straat en uitgaansverbod vanaf elf uur 's avonds. Goed om de orde te bewaren in deze labiele periode, slecht nieuws voor de fans van een stevige avond uit in late night gogobars of pingpong shows. Het zal mij echter een zorg wezen, dat vertier heb ik vorige keer gehad en is niet de reden voor mijn herhaalde bezoek. De reden heet Tine, komt uit Denemarken en is sinds kort mijn nieuwbakken girlfriend. Jaja het kan snel gaan soms.
ZWETENDE VORSTSamen verkennen we Bangkok voor een tweede keer, al kan de omgeving ons niet echt schelen en blijven de activiteiten beperkt tot aan het zwembad liggen, vastzitten op bussen in het drukke verkeer (twee uur voor een rit van acht kilometer, enerverend) en andere dingen die je zoal doet met een nieuw lief (verplicht om elf uur in je hotelkamer moeten zijn is nog zo slecht niet after all). Toch zijn er een paar dingen die ik vorige keer niet bemerkt had en me nu plots opvallen, zoals de ongebreidelde liefde van de Thais voor hun koning. Overal zie je zijn portret opduiken, waaronder een bijzonder grappige foto van een overvloedig zwetende vorst die een papier bestudeert. Onderschrift: The king sheds beads of sweat while he studies construction plans. Blij om weten dat ik niet de enige ben die destijds gezweet heeft achter mijn schoolboeken. Waag het echter niet met de monarch te lachen, op het openbaar belachelijk maken van de koning staan straffen die zover kunnen gaan als jail time. Het is ook de gewoonte om op tijd en stond recht te staan om de man te eren tijdens de nationale hymne: net voor het begin van een film in de cinema of boxing match, of op gezette tijdstippen in het openbaar. Lig je wat te niksen in een park en plots klinkt muziek uit luidsprekers en staat iedereen rondom je recht. Sire, er zijn nog Thais!
In datzelfde park worden we trouwens geconfronteerd met de lokale gedragscodes inzake uitingen van liefde in het openbaar. As in: none are allowed. Na een paar kussen staat er ineens een veiligheidsagent naast je die je duidelijk maakt dat je daar maar beter mee ophoudt. Het lijkt me zeer tegenstrijdig, 's nachts en achter gesloten deuren halen vrouwen overal ten lande acrobatische trukken uit met hun vagina, maar in het openbaar is handjes vasthouden zowat het enige wat toegestaan is. Er zijn nog wel verschillen met wat wij in het Westen gewoon zijn, en die verschillen gelden vooral voor vrouwen. Loop je als vrouw bijvoorbeeld alleen en kortgerokt op straat dan gaat men er van uit dat je op zoek bent naar een boyfriend en zal men je, zonder er doekjes om te winden, allerlei voorstellen komen doen. Of als je als koppel gaat eten en de vrouw betaalt, dan krijgt de man steeds het wisselgeld terug terwijl men de eerste straal negeert. Nu, aan dat laatste kan ik nog wel wennen moet ik zeggen, maar de tijd is helaas beperkt en na een week is het moment alweer gekomen om afscheid te nemen. Met een afscheidskus op zak en de wetenschap dat Tine deze zomer naar België komt stap ik op de bus voor yet another twelve hour ride naar Cambodia.
Misschien even uitweiden over bussen in Zuidoost-Azië: als je hier lange afstanden wil overbruggen kom je automatisch terecht bij een van de vele tour operators, die allen - zeer misleidend - een groot "tourist information" bord boven hun shop hangen hebben, maar in feite private bedrijven zijn. Geen gratis info en behulpzame mensen die je vanuit een objectief standpunt de goedkoopste of beste opties aanbieden zoals we dat gewoon zijn in Europa, maar businesses die elk voor eigen winkel verkopen. Het voordeel is wel dat ze met tientallen tegelijk opduiken in de stadscentra (hoera voor de vrije markt en bijgevolg concurrentieprijzen) en trips aanbieden op maat voor backpackers: je wordt opgepikt voor je hostel en in één ruk naar je bestemming gebracht. Openbare bussen - als die er al zijn - vertrekken meestal een goed eind uit het centrum, vereisen verschillende overstappen en betekenen steevast een hoop geklooi omdat geen enkele bestuurder of loketbeambte Engels kan en je zelf alles maar moet ontcijferen. De totale winst als je deze optie kiest bedraagt misschien enkele euro's per rit, ergernissen en frustraties krijg je er gratis bij. De reden waarom tour operators hun prijzen zo laag kunnen houden is simpel: elk restaurantje waar de bus stopt voor lunch of dinner betaalt premies aan de bus company. Jij betaalt minstens het dubbele voor je eten, de winst wordt gedeeld. Andere verborgen kosten kunnen zijn - zoals in dit geval - het dubbele betalen voor een - hier Cambodiaans - visum. Als je dan wat tegenpruttelt en erop wijst dat het aan de grensovergang goedkoper is krijg je te horen dat dat veel te lang gaat duren en de bus daar niet op kan wachten. Met andere woorden: betalen of we laten je achter. Nice.
ANGKOR WATVerdere verrassingen worden me echter bespaard en een paar uur later arriveer ik in Siem Reap, vanwaar je de number one tourist attraction van Cambodia kan bezoeken: Angkor Wat. Deze tempel wordt beschouwd als het grootste religieuze bouwwerk ter wereld en maakt deel uit van een heel complex, Angkor Thom genaamd, dat meer dan 800 jaar oud is en verspreid ligt over negen vierkante kilometer. Dit complex was de laatste hoofdstad van het rijk van de Khmer. Mijn tempelemmer is ondertussen al behoorlijk gevuld, maar voor Angkor heb ik bewust nog een paar druppels overgehouden, en blij toe. De logistieke inspanning om indertijd al deze heiligdommen neer te poten moet gigantisch geweest zijn en bijzonder goed uitgevoerd, aangezien de dingen er nog steeds staan (mits enige restauraties) en nog steeds imponeren. Men is hier dan ook bijzonder trots op Angkor, het silhouet van deze hindoeïstische tempel is het nationale symbool en op zowat alles terug te vinden: de nationale vlag, papiergeld, bierblikken. Het zal ook wel een beetje uit noodzaak zijn vermoed ik, want veel meer heeft dit land niet echt te bieden voor de average toerist. Er zijn de killing fields en de geschiedenis daarachter in Phnom-Penh, maar al lokken die veel bezoekers, the legacy of Pol Pot is nu niet iets om fier op te zijn.
Na een bezoek aan die laatste, en S-21 (de gevangenis waar de slachtoffers van de Rode Khmer ondergebracht werden voor ze afgemaakt werden op de killing fields) rond ik dan ook mijn blitzbezoek aan Cambodia af. Een beetje spijtig eigenlijk, ik heb hier niets dan vriendelijke mensen tegengekomen. Straatarm, maar schijnbaar tevreden met wat ze hebben. Het is een constante, hoe minder toerisme, hoe vriendelijker en meer open de locals zijn. Maar ik wil de tijd die me nog rest doorbrengen in het laatste land op de agende, kwestie van dat tenminste grondig te kunnen doen.
FRISSE HANDJESEnter Vietnam, nog zo'n land dat officieel communistisch is (de rode vlag met hamer en sikkel is nooit ver weg in het straatbeeld en Ho Chi Minh is nog steeds een nationale held) maar dat in de praktijk, naar Chinees voorbeeld, het kapitalisme omarmt. De economie kent al reeds een decennia een niet-aflatende groei, en werkloosheid is quasi onbestaande. Al moet dat laatste met een korrel zout genomen worden, kerels die op hun brommer liggen te dutten en om de paar uur eens een toerist vervoeren voor een (paar) dollar worden beschouwd als "on the job".
Het is moeilijk om niet te houden van dit land, met zijn rijstvelden, kegelhoeden waar tandenloze oudjes onder schuil gaan en floating markets, al maakt men het je soms wel verdomd lastig. Toersime is big business hier en dat zul je geweten hebben. Je wordt letterlijk elke tien meter aangeklampt door verkopers van fruit, boeken, petjes of andere brol, en motordrivers hebben de nasty gewoonte om je te achtervolgen op straat om je tegen betaling te vervoeren ("Where you go sir? Motorbike?"). Dat constant negeren en nee zeggen kan behoorlijk op de zenuwen werken, en af en toe krijg je wel eens een onverwachte repliek (in dit geval van een tienjarig meisje): "Buy something sir?" -No thanks, I'm fine. "Well fuck you then, you bloody cock!". Aah kids nowadays.
Dat je als westerling in Zuidoost-Azië het dubbele tot tiendubbele van de normale prijs neertelt, daar was ik onderhand al aan gewoon. Maar de creativiteit van sommige Vietnamezen om je geld afhandig te maken reikt bijwijlen wel zeer ver. Zo plaatst men soms kleine extra bordjes naast je bestelde maaltijd (waarvan jij denkt dat ze bij hetzelfde gerecht horen - think again) om je dan extra aan te rekenen als je ze nog maar aangeraakt hebt. Een keer heb ik zelfs meer moeten betalen omdat ik een - toegegeven, fancy lemon-smelling - serviet had gebruikt. Afgezet, maar toch lekker frisse handjes om de middelvinger mee op te steken! Of je buschauffeur die je, tegen de afspraak in, niet in het centrum afzet maar ergens daarbuiten zodat de lokale motordrivers er ook nog iets aan hebben. Frustrerend, zeker als die beide dingen je op eenzelfde dag overkomen. Maar goed, it's all in the game I guess, en gezien mijn high spirits van de laatste weken kan ik veel hebben.
Ik begin in Saigon (officieel Ho Chi Minh City, alhoewel niemand die benaming gebruikt) en dat is meteen een mooie vuurdoop wat bustling Vietnamese city life betreft. Er zijn meer brommers dan inwoners in deze stad en dat vertaalt zich in crazy traffic. De straten zitten tjokvol met ongeduldige chauffeurs die blijkbaar niets liever doen dan claxonneren. Het is hun signaal om te zeggen dat je uit de weg moet gaan, dat ze eraan komen (alsof je dat nog niet doorhad), dat ze je aan het voorbijsteken zijn. Letterlijk elke reden lijkt goed genoeg om nog wat meer decibels toe te voegen aan het oorverdovende lawaai dat van de straten opstijgt. De eerste gedachte die bij je opkomt bij het aanschouwen van deze - schijnbare - chaos is: hoe geraak ik hier in godsnaam aan de andere kant van de straat? Het systeem dat je thuis gebruikt - kijk links, dan rechts, wacht tot er niets aankomt en steek over - is niet toepasbaar want er is nooit een gaatje om je tussen te wurmen. Je krijgt de neiging om het op een lopen te zetten en je zo snel als je benen je kunnen dragen naar de overkant te reppen, maar dat is iets wat je vooral niet moet doen als je diezelfde benen liefhebt. Al snel leer je dat ze zo hun eigen systeem hebben. Het druist in tegen alle verkeersveiligheidsregels dat je ooit in de lagere school geleerd hebt, maar het komt erop neer dat je het verkeer gewoon negeert en je je met een slakkengangetje de straat op begeeft. Bestuurders zien dit, passen hun route aan en laveren om je heen. Het klinkt geschift maar het werkt, en na een paar dagen heb ik voldoende zelfvertrouwen opgebouwd om mij al eens verder dan two blocks down the road te wagen.
Zo beland ik onder andere in het war remnants museum, dat de gruwelen van de Vietnamoorlog in beeld brengt, en de gevolgen daarvan die het land nu nog steeds ondervindt. Zoals de misvormde kinderen die nog elke dag geborden worden als gevolg van de massa's Agent Orange die de Amerikanen destijds gedropt hebben. Geen mooie plaatjes, let me tell you.
THE FINAL STRETCHVan Saigon maak ik even een detour langs de Mekong-delta voor een paar dagen, een zeer vruchtbare streek waar de Mekong via allerlei zijkanalen uitmondt in de zee. Zeer fascinerend om te zien hoe mensen hier het maximum uit de rivier en natuurlijke hulpbronnen halen. Niets wordt weggegooid bijvoorbeeld, zelfs de schillen van onbeduidend kleine vruchten zoals lychees worden verzameld en hergebruikt als brandstof. Nu, "hergebruikt als brandstof" klinkt fancy voor wat het eigenlijk is: in de stoof rammen en opfikken. Maar toch, het illustreert mede hoe spaarzaam men hier omspringt met wat men heeft. De Mekong-delta is tevens de thuis van de floating markets, letterlijk drijvende markten. Shoppen doe je door met je bootje te navigeren tussen de verkopersboten, de producten die verkocht worden (uitsluitend levensmiddelen) zijn op een stok gebonden op het dek. Very clever indeed.
En met een bussel prei en een kilo zwoerd onder de arm begin ik dan aan de laatste rechte lijn: noordwaarts tot in Hanoi. De trip voert me langsheen oude historische dorpskernen, immense rijstvelden en snikhete stranden, om me uiteindelijk in de hoofdstad te brengen, waar ik nog een week rondlummel alvorens naar Europa terug te keren. Dat is nog mijn favoriete bezigheid in Azië uiteindelijk: rondlummelen. Bestuderen hoe de locals hun dagen vullen. Marktjes afschuimen en kikkers ter plaatse de kop zien ingeslagen worden terwijl vliegen zich op de vers geslachte kippen ernaast storten, en je voeten almaar zwarter worden van in het afvalwater en drek te trappelen dat overal op grond ligt. Ice coffee drinken en sigaretten roken in een van de vele straatstalletjes. Discussiëren over een luttele tien cent bij de aankoop van een fles water. Deze heel andere wereld verkennen en in je opnemen. En je kan wel stellen dat ik een fan ben.
En zo is het er hier bijna mee gedaan. Van Hanoi vlieg ik naar Bratislava voor nog eens tien dagen, op woensdag 14 juli arriveer ik terug op Belgische bodem en is het afgelopen met bijna een jaar de toerist uit te hangen. Enerzijds zie ik er naar uit: opnieuw Westmalle Tripel, fritten van de Ring en knuffels van Archy, anderzijds betekent het ook gedaan met the backpacker life. En dat is een leven dat ik me ondertussen al goed eigen heb gemaakt en zeker ook zal missen: de afwezigheid van verantwoordelijkheden zoals werken (ik zou de zin hier eigenlijk al kunnen stoppen), elke dag nieuwe dingen ontdekken en interessante mensen ontmoeten, er als een stinker bijlopen en constant je eigen zin kunnen doen. The world is yours zou Tony Montana zeggen. It sure was the past year.
Thailand. Volgens De Standaard land van de glimlach, volgens anderen (vooral vieze oude venten) seksparadijs waar alles kan en mag. Hoe het ook zij, het is waarschijnlijk de populairste bestemming in heel Zuidoost-Azië. Time to check what all the fuss is about.
SUGAR MONKEYBeginnen doe ik in Phuket, een van de eilanden in het zuiden van het land dat compleet verwoest werd door de tsunami in 2004. Niet dat je daar nu nog iets van merkt, toerisme is weer a booming business en dat merk je aan de prijzen (en aan de toeristen natuurlijk): wil je een degelijke verblijfplaats op een van de populaire stranden betaal je al snel rond de twintig euro. Peanuts voor de rijke zakenman die hier wat in het zand komt liggen zijn kloten schuren (letterlijk en figuurlijk) maar voor de average backpacker toch nog altijd veel geld. Ik verken de stranden voor een paar dagen vanuit Phuket town (wat goedkoper is), en verkas daarna naar Ko Phi Phi.
Ko Phi Phi is een eiland temidden van een eilandengroep waar men The Beach en een of andere James Bondfilm gedraaid heeft. Van The Beach herinner ik me maar de helft en James Bond interesseert me al helemaal geen zak, maar ik vermoed dat als Hollywood hier dikke dollars wil investeren er wel wat natuurpracht te zien is. En dat is er ook, al is het misschien net iets te druk om goed te zijn. Phi Phi zelf is volgebouwd met guesthouses, massagetenten, pubs, tattooshops en restaurants. De omliggende eilanden -waarvoor je eigenlijk komt- zijn enkel bereikbaar via boot, die zich op de weg daarheen al snel tussen een vloot andere vaartuigen bevindt. Er in stilte op je eentje van genieten is er dus niet bij, maar dat had ik ook niet verwacht. De Leo heeft tenslotte met zijn rotkop op deze stranden rondgehuppeld. Niettemin zijn de spectaculaire rotsformaties en koraalriffen zeker een bezoek waard, en je mag dan misschien niet alleen zijn om van de zonsondergang te genieten, hij blijft nog steeds genietbaar.
Al vraag ik me soms af of al dat volk wel verantwoord is. Je betaalt wel een "conservation charge" van vijf euro wanneer je aankomt maar iemand effectief iets zien schoonmaken heb ik nog niet gezien. Afval op strand en tussen de bomen is dan ook geen ongewoon zicht, beetje spijtig eigenlijk. Het toppunt van onverantwoord ecotoerisme zie ik echter op Monkey Bay. Dat is een strand van misschien honderd meter lang en vijf breed maar er leven apen die maar wat graag gevoederd worden, en wie ziet er nu niet graag een aap van dichtbij? Het probleem daaraan is dat 1) het ze lui maakt en 2) de meeste mensen geen idee hebben van wat er zoal op het menu van een aap staat. Het merendeel komt aandraven met bananen (cliché maar correct) maar er zijn er ook enkele die de beestjes cola geven (incorrect). Ik vraag me af wat twee blikken suiker doet met een beest van om en bij de tien kilo, maar gezond kan het niet zijn.
THE SEEDY UNDERBELLYOndertussen voel ik opnieuw de lokroep van de grootstad en boek ik een nachtbus naar Bangkok. Ik arriveer om zes in de ochtend nabij Khaosan Road, twenty-four seven een van de drukste straten hier, en het duurt niet lang om een globaal idee te krijgen van wat je zoal mag verwachten in deze chaotische, high-energy hoofdstad. Een stevig aantal backpackers is nog bezig met de vorige dag te beëindigen aan de vele terrasjes, de dames van lichte zeden ondernemen laatste pogingen om nog wat klanten te versieren ("Looking for a room? Wanna come to mine?"), terwijl de tuk-tuk drivers een nieuwe ronde ingaan van toeristen bedotten. En dan heb ik het nog niet over de vele con artists die vriendelijk een gesprek met je aanknopen, trachten je sympathie te winnen door te vertellen over hun twee jobs en hoe ze daardoor te weinig tijd hebben voor "boom boom with the wife", maar je eigenlijk een ticket voor het een of ander proberen aan te smeren.
Misschien een klein woordje uitleg over die voorlaatste: een tuk-tuk is een mini-taxi dat zes tot acht personen kan vervoeren. Je neemt plaats achterin een metalen bak die op een soort brommer gemonteerd is, het ziet er niet echt veilig uit maar het is goedkoper dan een taxi en je geraakt sneller op je bestemming (als je niet vastzit in een van de vele files natuurlijk). Maar daar wringt het schoentje wel eens: je chauffeur heeft vaak zo zijn eigen idee van wat jouw bestemming is, en brengt je ongevraagd naar juwelenwinkels en andere shops (ze vangen een premie voor het binnenbrengen van klanten). Als je dan wat lastig begint te doen en het duidelijk wordt dat je de winkel zelfs niet gaat binnenstappen, laat de fucker je simpelweg achter waar je staat en ben je nog verder weg van huis.
Een echte heksenketel dus, niet de ideal plaats om terecht te komen na een quasi slapeloze nacht op een bus. Het kost me heel wat moeite om vriendelijk te blijven (die vriendelijkheid verdwijnt uiteindelijk ook na twee dagen) maar uiteindelijk beland ik zonder kleerscheuren en met hetzelfde aantal Baht in de portefeuille in mijn hostel. En vanaf hier begint de dolle rit door Bangkok. Iedereen in mijn kamer kan extreem goed overweg met iedereen, en de komende dagen checken we samen wat deze stad te bieden heeft. Gaande van met een half oog een tempel bezichtigen of een Thai boxing match bezoeken (twaalfjarigen die elkaar knock-out slaan, grappig) tot the seedy underbelly of this depraved sex capital. Gogo bars zijn nooit veraf, en niemand is blijkbaar vies van naar wat naakte danseressen staren (ook het enige meisje in de groep niet, respect) en tegelijkertijd wat lachen met de buitenlanders die een lokale schone proberen op te scharrelen (maar falen, anders zou het niet grappig zijn). En dan is er natuurlijk nog dat stapje hoger op de ladder van vetzakkerij: de fameuze pingpongshows. Of het bewijs hoe multifunctioneel een vagina kan zijn. Stel je een kamer voor met zo'n zestig personen, vooral toeristen die eens goed komen lachen maar ook een paar echte vuileriken (die zitten pal vooraan), met in het midden een klein podium waarop vrouwen allerlei stuff met/uit hun vagina uithalen. Sigaretten roken, kaarsen uitblazen, slingers tevoorschijn toveren, vloeistoffen doen verdwijnen, flesjes bier ontkurken (verdorie handiger dan een keukenrobot!) en the pinnacle of it all: pingpongballetjes in een emmer mikken. Groot applaus bij elk shot on target, lichte ontgoocheling wanneer de show is afgelopen. Goed, opnieuw het nachleven induiken dan maar, en dat levert soms surreëele beelden op. Wegens de aanhoudende antiregeringsprotesten zijn er in sommige stukken van de stad massa's soldaten op de been, elk met een bigass rifle rond de schouder gedrapeerd. Daar lopen dan dronken toeristen tussen, achtervolgd door locals die je opnieuw naar een pingpongshow willen sleuren. Sta je in 7/11 een blik bier te kopen en naast je staat een soldaat een flesje water af te rekenen. What the fuck indeed.
FUCKING MEKONGNa een vijftal dagen op deze crazy rollercoaster is het tijd voor wat rust, en die vind ik in Chang Mai, in het noorden van het land. Geen uitzinnige drukte of opdringerige mensen hier, enkel een rustig stadje om gezellig wat in rond te kuieren. Aangezien het mijn laatste dagen zijn in Thailand neem ik het er eens goed van en laat ik me eens degelijk masseren. Vier euro voor een uur, degelijke investering zou ik zo zeggen. Tegelijkertijd snap ik ook meteen de reden waarom zoveel westerlingen hier "de liefde" komen zoeken: zachte handen over je lichaam van een Thaise deerne die geen woord Engels spreekt behalve "relax mister", zeer verleidelijk.
But none of that for me, het is tijd om me naar Laos te begeven, en dat is dan ook meteen het einde van de rust. Ik heb een ticket voor een slow boat, een schuit van veertig op vijf meter die mij en een vijtigtal andere travelers in twee dagen naar Luang Prabang moet brengen. Twee keer negen uur op een krappe boot (slapen doe je in een dorp onderweg) de Mekongrivier afdrijven, ik heb er geen goed oog in. Na vijf minuten besef ik echter dat dit wel eens leuk zo kunnen worden: iedereen stapt op met flessen sterke drank en bier, en een local is druk in de weer met zijn weedvoorraad uit te verkopen. Drugs zijn zwaar illegaal in Zuidoost-Azië en leveren je, eenmaal gepakt, een fikse boete of een one-way ticket to prison op, hangt ervan af in welk land je je bevindt. Maar tegelijkertijd zijn ze wel overal verkrijgbaar, en de pakkans op het midden van een rivier is vrij klein me dunkt. Anyway, het duurt dan ook niet lang of het hek is van de dam. Hello Laos.
Aan zo'n fun times is meestal een catch verbonden, normaal gezien in de vorm van een smerige kater de dag erna, maar hier begint het afzien al vroeger. Bij het ontschepen (mooi woord voor "van de boot waggelen en zien dat je terwijl niet in dat smerig putwater van de rivier terechtkomt") worden we meteen belaagd door mensen die ons hotelkamers, bier en weed willen verkopen ("leave me alone, can't you see I've had enough?") en is the sense of direction goed verstoord. Eén kerel is bijzonder hardnekkig om ons naar zijn guesthouse te krijgen, en na een goeie tien minuten discussiëren en hem uitschelden voor afzetter blijkt hij de eigenaar te zijn van de keet die we die ochtend geboekt hebben. "Oops. Sorry sir, lead the way." Nog geen vijf minuten later lig ik in bed en eindigt de dag voor mij. Fucking Mekong.
De tweede dag gaat het er al ietsjes kalmer aan toe, iedereen heeft zijn lesje blijkbaar geleerd, op een paar hardleerse elementen na (just like a weekend back home). Geen chaos en verwarring bij het aan wal gaan deze keer, objectief bereikt: Luang Prabang. Deze Unesco World Heritage city heeft meer weg van een dorp, net zoals alle steden in Laos eigenlijk. Een dagje is dan ook genoeg om alles gezien te hebben, om vervolgens verder te trekken naar Vang Vien. De weg tussen beide steden is net een trip terug in de tijd: je rijdt door de bergen via kronkelende hobbelwegen, af en toe een cluster van houten hutten tegenkomend waar oude vrouwtjes hout hakken of in grote kookpotten roeren, kippen rondscharrelen en kleine kinderen achter onze minibus rennen. The countryside of Laos, zeer interessant om te observeren moet ik zeggen.
IN THE TUBINGVang Vien zelf is net iets moderner, maar ga een kilometer buiten het centrum en je komt dezelfde scenes tegen. Zeer charmerend, vooral als je een kleine lagoon vind om in het water te plonzen met de plaatselijke kinderen. Maar dat is niet waarvoor deze plaats bekend staat, het handelsmerk van Vang Vien is tubing. In heel Zuidoost-Azië zie je backpackers met t-shirts waarop staat "In the tubing - Vang Vien, Laos" (meestal onnozelaars) maar ik vermoed dat de mensen op het thuisfront er nog nooit van gehoord hebben dus leg ik het even uit. Het principe is simpel: je huurt een rubberen band (the tube) waarmee je vervolgens de rivier gaat afdrijven. Op zich niets speciaals, maar men heeft de affaire opgeleukt met een hele resem bars langs de kant van de rivier. En in die bars geeft men om de haverklap gratis shots. Waar het dus in feite in op neerkomt is zeer eenvoudig: zuipen. Maar! Nabij of in het water, in dat laatste geval in een rubberen band nog wel. Zeer originele touch moet ik zeggen. Wat je er ook van wil vinden, het trekt wel een hoop (vooral jong) volk. Overal zie je dansende mensen (chicks in bikini, I like) en mensen die van allerlei gammele houten constructies (torens, zipglides, swings) in het water springen. Niet zonder gevaar trouwens, elk jaar zijn er wel een paar zattekloten die met hun hoofd op een rots springen of verkeerd landen, met een abrupt einde van het feest als gevolg (lees: dood).
Tegen een uur of zes 's avonds (het begint rond de middag) moet je normaal het hele parcours afgelegd hebben en gaat het feest verder in de paar openluchtbars die het stadje rijk is. Hier kan je je verder lam zuipen met buckets (kleine emmertjes met your choice of drink) of kiezen voor een drugtrip met bijvoorbeeld mushroom shakes (als je de muren eens wil zien smelten, this is the way to go). Dit alles gebeurt temidden van grote kampvuren (wat me een uiterst slechte combinatie lijkt) en op keiharde elektromuziek. Een bachanaal om u tegen te zeggen dat hallucinante taferalen tot gevolg heeft: zatlappen die hun haar in de fik steken omdat ze te dicht tegen het vuur in slaap vallen of toch niet zo goed zijn in het onder een brandende limbostok dansen, buckets die er al even snel weer uitkomen als dat ze erin gaan. In Europa zou het na twee edities illegaal verklaard worden, hier is het de dagelijkse gang van zaken. Ik vraag me vaak af wat de gemiddelde Laotiaan die hier woont wel moet denken van het zogenaamde "beschaafde" Westen, afgaande op al wat zich hier afspeelt.
Het is fun voor even, maar al al snel ontwikkel ik een ontzettende afkeer voor the place (een bende jonge dronken idioten is niet exactly the kind of people waarmee ik meer dan twee dagen kan en wil spenderen) en zak ik verder af naar Viantiene, de hoofdstad. Geen bal te zien maar het kan me niet schelen, ik heb nood aan wat isolement. Ik heb trouwens iets om naar uit te kijken: binnen enkele dagen heb ik een date in Bangkok met een meisje dat ik daar heb leren kennen (nee geen Thaise masseuse). Het maakte geen deel uit van het originele plan, but back to Thailand it is!
Hoe langer je onderweg bent en hoe meer plaatsen je bezoekt, hoe meer mensen je ontmoet. Een van de grappige dingen daaraan zijn de lookalikes, de Chinese Jo Vandeurzen op straat zien voorbijwandelen is altijd wel goed voor een paar minuten gegniffel. Maar daarover gaat het nu even niet, ik wil het hier hebben over mijn fellow backpackers die ik reeds in talrijke hostels of andere plaatsen ontmoet heb. Ik heb gemerkt dat je die namelijk grosso modo in vijf categoriën kan indelen. Een beknopt overzicht.
The over prepared and over cautious travelerHeeft de reis nauwgezet uitgepland en weet altijd waar heen te gaan of wat die dag te doen. Dit vaak Spartaanse schema wordt voor bijna niets overhoop gehaald (er is tenslotte weken planwerk in gekropen) tenzij door redenen van overmacht (ziekte, paspoort kwijt). Er moet namelijk het meeste uit de dag gehaald worden en een dag niets gedaan is een dag verloren. Is op elke mogelijke situatie voorbereid en sleurt bijgevolg kilo's bagage mee, gaande van krultangen en aparte uitgaanskledij tot koplampen. Meestal worden daar ook nog eens hopen souvenirs aan toegevoegd om de schouders nog wat meer te pijnigen. Wantrouwt al eens het lokale eten en houdt het liever bij bekende dingen zoals McDonalds of hetgene Lonely Planet aanraad. Is moeilijk tevreden te stellen qua accomodatie, een hostel waar de douche niet 100% proper is of waar er een mier in de keuken rondkruipt wordt steevast negatief beoordeeld. Hygiëne wordt hoog in het vaandel gedragen. Deze categorie wordt vooral bevolkt door koppels en vrouwen.
The easy-going dudeDe tegenpool van bovenstaande groep. Heeft wel een globaal plan maar ziet er geen graten in om plots een impulsieve beslissing te nemen en dat helemaal om te gooien. Zo'n beslissing kan genomen worden na een tip van andere backpackers, een plots ontstane liefdesrelatie of een te stevige kater op de dag van vertrek (in geval van dat laatste wordt er ter plaatse gebleven). Wil wel iets gezien hebben op het einde van de rit maar maalt er niet om om eens een dag niets te doen. Leeft eerder dag per dag. Komt wel eens voor een onverwachte situatie te staan, zoals aankomen in een vreemde stad, geen hostel vinden wegens alles volzet en niets op voorhand geboekt, om dan noodgedwongen in een duur hotel te moeten inchecken of in het park te slapen. Komt uiteindelijk altijd wel op zijn of haar pootjes terecht. Zowel mannen als vrouwen (laten we zeggen 60/40).
The young party animalIs meestal de eerste keer (ver) weg van thuis en laat zich bijgevolg elke avond goed gaan. Reist in groep met vrienden en kiest vooral voor zon-, zee- en strandbestemmingen. Geeft niet zozeer om de bezienswaardigheden, zolang het maar leuk blijft. Heeft de neiging luidruchtig te zijn, vooral onder invloed (veel dus). Stelt vragen als "hoe zeg je schol in jouw taal?". Blijft stil tijdens conversaties over politiek of actualiteit maar veert recht als er iemand een drankspel voorstelt. Zowel mannen als vrouwen (jongens en meisjes in misschien meer toepasselijk).
The oldieSloft hele dagen wat rond in het hostel, spendeert veel tijd op het internet en geeft niet de indruk dat er nog veel plezier wordt beleefd aan reizen. Echt reizen-reizen kan je het trouwens niet meer noemen aangezien er vaak maanden aan een stuk op dezelfde bestemming gebleven wordt. Weet niet echt meer wat de exacte reden ook was om ooit te beginnen travelen, maar heeft na zoveel jaren toch geen echte thuis meer dus wordt er maar verder gedaan. Bijna uitsluitend mannen.
Kleine opmerking moet hier wel gemaakt worden: niet elke man op leeftijd kan als een oldie bestempeld worden, er zijn de uitzonderingen die jong van geest blijven en nog steeds elke dag erop uit trekken en te vinden zijn in de common room in plaats van voor de computer.
The loner/weird guyMeestal alleen aan een tafeltje te vinden met een (dag)boek. Heeft niet veel sociale impulsen, gaat vroeg slapen en wordt boos als young party animals de slaap verstoren. Trekt er elke dag op uit van 's morgens vroeg tot 's avonds laat (ook in weer en wind) maar naar zijn whereabouts of activiteiten heb je het raden, aangezien scoiaal zijn en met medetravelers praten niet hoog op de agende staat. Vooral mannen.
Mind you, dit is enkel een groffe indeling, en variaties en combinaties zijn altijd mogelijk. Zo zijn er mensen die de eerste dagen de loner uithangen om zich dan te ontpoppen tot easy-going dude. Het slaat ook enkel en alleen op (low-budget) backpackers, de all-in toerist is bijvoorbeeld niet in deze indeling opgenomen.
Zelf situeer ik me eerder in de tweede categorie (mits enige reserve) en heb ik het niet zo op met mensen die de derde categorie belichamen. Maar dat is dan ook het schitterende aan zoveel mensen ontmoeten: als na vijf minuten conversatie blijkt dat je andere opvattingen hebt is het slechts een kwestie van tegen de volgende persoon te beginnen lullen. Keuze genoeg en voor elk wat wils.
Dan heb je er weer helemaal zin in, begin je de resterende reis wat uit te plannen aan de hand van een reisgids, en dan kom je bij de pagina "Health and other dangers". "Virussen en ziektes die u kan oplopen tijdens een langer verblijf in Zuidoost-Azië: malaria, dengue fever, hepatitis, filariasis, hondsdolheid, TBC, mazelen, tyfus" (en het lijstje gaat nog wel even door). Even terugdenken aan de vaccinaties die ik midden juli vorig jaar gekregen heb ... hepatitis. Punt. En hoe zat dat ook alweer met mijn ziekteverzekering? Hm, blijkbaar ook afgelopen. En tegen diefstal of beschadiging van mijn valuables was ik al niet verzekerd in the first place. Het doet me geen seconde twijfelen of ik nu wel zal gaan of niet, maar uiterste voorzichtigheid is wel geboden me dunkt. Straathonden aaien is uit den boze (ze prefentief neerknuppelen lijkt dan weer een leukere gedachte maar ik wil ze nu ook weer niet onnodig pissig maken), insektenspray en malariatabletten komen op het boodschappenlijstje te staan en voor de rest vertrouw ik op mijn gezond verstand.
BALLENZWEETDatzelfde gezond verstand heeft me gezegend met the urge om altijd veel te vroeg op te dagen voor een treinrit of vlucht, en dat werpt zijn vruchten af aan de check-inbalie voor mijn vlucht naar Singapore. "How long are you staying in Singapore, and where are you going afterwards sir?" -"Euh I don't know, I figured I'd decide that while I'm there. Why?" "Well you need a ticket out before we can let you in, visa regulations. Oh and may I remind you that check-in closes in 30 minutes." Fuck. Een hectisch halfuur volgt waarin ik al vloekend met mijn bagage door de luchthaven ren, op zoek naar een internetterminal en snel snel een vlucht naar Kuala Lumpur boek. Het kan een vlottere start zijn voor mijn terugkeer naar Azië, maar het is alleszins een start (en waarschijnlijk een veel kleiner ongemak dan bijvoorbeeld hondsdolheid).
Alhoewel ik hierboven schrijf "terugkeer naar Azië" kan je Singapore niet 100% Aziatisch noemen, dankzij zijn internationale uitstraling heb je hier wel wat westerse invloeden, en is dit een efficiënte, moderne en nette stad. Je zou trouwens eens moeten durven je afval op straat werpen, een dikke boete zal je deel zijn als je gepakt wordt. Een gevolg van die aanpak is de properste Chinatown die ik ooit al gezien heb; normaal maakt het niet uit in welke mate een stad gevrijwaard is van zwerfvuil, in Chinatown slingert er altijd wel iets rond op de grond, maar in deze stadstaat kunnen de Chinezen hun het litteren laten blijkbaar.
Tevens is Engels een officiële voertaal in Singapore, al kan daar wel wat over gezegd worden. Ze hebben namelijk hun eigen manier om het uit te spreken, wat het niet altijd even verstaanbaar maakt. "Ting tong makedamdam five minutes." -"Huh?" "I said your bus will come in five minutes sir." Eerst denk je dan dat Engels niet hun moedertaal is, maar dan hoor je ze onder elkaar datzelfde Singlish spreken en besef je dat dat wel degelijk het geval is. Het zal wel niet de bedoeling geweest zijn van Sir Thomas Stamford Raffles toen hij in 1819 Singapore toevoegde aan het Britse rijk maar goed, mits enige concentratie werkt het wel.
Wat wel op en top (Zuidoost)-Aziatisch is aan deze stad is het weer. Ik dacht dat ik nu toch wel al iets gewend was qua hitte na Australië, maar dit is evenwel nog van een ander kaliber. Thuis is 35-40 graden al een stevige hittegolf en moet je de oudjes binnen- en de frisse pinten buitenhalen, hier is zoiets dagelijkse kost. Het is ook een ander soort hitte vanwege de hoge vochtigheidsgraad, het duurt welgeteld drie minuten na een nieuwe douche vooraleer je weer helemaal plakt en het zweet zich vanaf je voorhoofd een weg naar beneden baant. Ik zweet mijn ballen eraf van gewoon op een stoel te zitten of op groen licht te wachten, de locals zie je geen krimp geven. Het is iets waar je maar beter snel aan went want veel verandering komt daar niet in hoe verder noordwaarts je reist heb ik al gemerkt. Gelukkig kan je nog verkoeling zoeken in de talrijke airconditioned winkels ("Can I help you?" -"Nope, just enjoying your free airco.")
THE REAL ASIANa een vijftal dagen -gevuld met een Pixar exhibition (Behind the screens of animation, best wel zijn geld waard), wat nighttime photography en me op het lokale streetfood storten- begeef ik me naar de volgende bestemming: Kuala Lumpur, Maleisië.
En dit is dan weer wel het echte Azië: chaotisch verkeer met rammelende bussen die constant zwarte rook uitbraken, massa's volk en gedaan met de cleanliness. Nu ga ik niet beweren dat ik een fan ben van een dikke roetwolk in mijn gezicht terwijl over straat wandel, maar voor de rest hou ik wel van die atmosfeer. Op je gemak tussen kleine steegjes vol stalletjes kuieren, tien minuten discussiëren over de prijs van een t-shirt om hem dan toch niet te kopen (tot grote frustratie van de verkoper (niet mooi, ik weet het)), en tegen de avond je tussen de locals placeren aan een van de vele eettentjes langs de straatkant om een goedkoop bord rijst binnen te spelen. Dat je voeten tegen die tijd pikzwart zien en er drie meter verder een paar ratten zich te goed doen aan de leftovers van je buur moet je er maar bijnemen. The real Asia indeed.
Dat gezegd zijnde, verder is er in Kuala Lumpur niet zo heel veel te beleven. Er zijn de Petronas Towers (maar dat zijn uiteindelijk ook maar twee torens), een paar grotten met een Buddha erin maar die zijn tien kilometer buiten het centrum so fuck that (this heat makes you lazy) en nog een paar gebouwen hier en daar die ze tot trekpleister gebombardeerd hebben om hun toeristische folders te vullen.
Nadat ik voldoende sfeer (en roet) opgesnoven heb zak ik dan ook af naar Melaka, vroeger een belangrijke haven vanwege zijn ligging en achtereenvolgens gedomineerd door de Chinezen, Portugezen, Nederlanders en uiteindelijk de Britten. Tegenwoordig wordt het vooral aangedaan door toeristen die de paar hoofdstraten dagelijks doen volstromen, en zich vergapen aan historische gebouwen zoals het oude Nederlandse Stadhuys of de paar kerken die destijds de christelijke kolonisten van hun goddelijke fix voorzagen. Maar qua geloof heb je vandaag de dag voor elk wat wils in Maleisië: er zijn aanhangers van Buddhisme, Taoïsme of het Christendom (vooral onder de Chinese en Indiase inwijkelingen), maar bijna al de Malays zelf zijn moslim. Boerka's en Moskeeën vind je dan ook regelmatig terug in het straatbeeld. En hoewel ik niets heb tegen die laatste, het zou leuk zijn moesten ze het volume van hun ochtendgebed wat naar beneden kunnen bijstellen. Tussen half zes en zes hoor je een of andere imam zijn ding doen, bijgestaan door een hi-fi installatie bovenop een minaret (ze hadden die mannen nooit de technologie van de luidspreker mogen aanleren).
HAAIEN NEERKNUPPELENNa Melaka besluit ik enkele eilanden aan de oostkust te gaan verkennen (weg van dat gebleir), te beginnen met Tioman. Na een busrit van vijf uur en twee ferries (je moet in open zee overstappen van de ene naar de andere, niet vanzelfsprekend met bagage op je rug en een wiebelende boot onder je voeten) kom ik aan op dit rustig resort. Geen auto's, geen massa's volk en vriendelijke bewonders die al graag eens een praatje slaan. Slapen doe je in hutten langs het strand die je kan huren voor een paar euro's. Het stelt niet veel voor; een kleine douche, ventilator en een bed met matras die naar de eigenaardige combinatie van pis en hotdogs ruikt. But it will do, de gezapige en vriendelijke feer maakt veel goed. Enige minpunt is het afval dat je soms langs het strand en tussen de bomen ziet liggen (het wordt erg als je pisgeur al niet meer als een minpunt beschouwt, vuiligheid wordt ik blijkbaar sneller gewoon dan hitte), maar daar staat dan weer een prachtig koraalrif tegenover. Duiken zit er niet meer in voor mij (laatste keer geprobeerd op het Great Barrier Reef, mijn oren beginnen verrekte pijn te doen op reeds enkele meters diepte) dus hou ik het genoodzaakt bij snorkelen, maar dat is evenzeer de moeite. Het is alsof je een National Geographic documentaire voor je ogen ziet afspelen: koraal in allerlei vormen en kleuren, scholen vissen die nieuwsgierig rond je komen zwemmen (of misschien komen ze af op de hotdoggeur) en the odd shark die zich snel uit de voeten maakt als je te dichtbij komt. Nog een geluk misschien, ik zou niet weten wat doen moest hij recht op me afkomen (een haai neerknuppelen lijkt me al een iets moeilijker opdracht). Op de gidsen moet je alleszins niet al te veel rekenen, die blijven rustig op hun boot zitten sigaretten roken. Het is een groot verschil met een Australische snorkeltrip, daar mag er niet gerookt worden (je zit tenslotte op a shitload of fuel), mag je je niet te ver van de boot wagen en moet je eerst een paar praktische- en veiligheidstips aanhoren. Hier is het enige wat men je vertelt "put on your gear, jump in the water and you know, swim around." Waarna de boot wegvaart en een 300 meter verder gaat ronddobberen. Na tien minuten in het water blijkt mijn duikbril te lekken en begin ik te zwaaien naar de boot voor een nieuwe, waarop die de afstand half overbrugt en de gids doodleuk gebaart dat ik de andere helft zelf maar moet zwemmen. Prijs van benzine te hoog? Zien ze graag een westerling in het water worstelen? Ik weet het niet, maar ik ben er dankbaar voor dat ik niet echt in de problemen kom. Waarschijnlijk roepen ze je dan van in de verte iets toe in de trant van "euh, you know, stop drowning, that should help."
ZWEEDS KORAALVolgende stop zijn the Perhentians, een paar eilanden helemaal in het noorden. Net iets toeristischer wat het iets onpersoonlijker maakt, maar daar stoor ik me niet echt aan. Wat me wel wat tegenvalt is de snorkelervaring: het koraal is veelal grijs en dood (valt wel een mouw aan te passen door het observeren van je knappe Zweedse medesnorkelaarsters in plaats van de grijze bodem) en waar ik op Tioman zowat de enige was die in de oceaan ronddobberde ben ik hier omringd door horden Aziaten met knalrode reddingsvesten (het ziet eruit alsof een stukje oceaan de mazelen gekregen heeft). Ik heb me laten vertellen dat die mensen niet leren zwemmen van jongsaf aan, en ze pogingen zien wagen heeft veel weg van een kat die je in een badkuip katapulteert: hoesten en proesten terwijl ze water alle kanten opspatten. Het is wel grappig om te zien hoe ze de verdrinkingsdood proberen te vermijden, maar als je ze dan iets later ziet rechtstaan en steunen op het koraal, stukken afbrekend die jaren en jaren nodig hebben om terug te groeien, dan is het grappige er snel af.
Het typeert een beetje hoe ze in Maleisië met natuur omgaan: als het geld opbrengt (in dit geval mensen die niet kunnen zwemmen tussen kostbaar koraal droppen) kan het hun niet echt schelen of daar wat beesten voor sterven of natuurgebied voor verloren gaat. Nog een voorbeeld zijn de palmboomplantaties die wel lucratieve palmolie opleveren maar waarvoor tegelijkertijd gigantische vlakten regenwoud tegen de grond gaan (naar schatting 60% van het originele regenwoud is reeds gekapt voor o.a. zulke doeleinden). Enfin, mij kunnen ze alvast niets verwijten, ik deponeer mijn afval netjes in de vuilnisbak en laat the local wildlife met rust (wat zou je ook willen een bevlooide aap of smerige varaan aanraken).
Het is iets dat ik de voorbije negen maand niet al te veel gedaan heb, maar een blik op de kalender leert mij dat ik stilletjesaan wat moet voortmaken. Het is een beetje een tegenstrijdig gevoel, ik heb nog een goeie acht weken te gaan (wat toch nog altijd ruim boven de gemiddelde vakantieduur ligt) en toch voelt het aan alsof ik the last stretch inga (gezien de totale duur van de reis is dat misschien ook wel zo) en alsof ik mij moet haasten. Wat ook wel klopt, als ik even naar de kaart kijk en naar de afstand/landen die ik nog wil doen. Zuidoost-Azië is nog vrij groot bij nader inzien.
Anyway, tijd om de zon- zee- en strandervaring te laten voor wat het is (for now) en mij naar de westelijke Thaise grens te begeven, de oostkust is namelijk te gevaarlijk voor een border-crossing. Thailand zou as a whole trouwens gevaarlijk zijn om te reizen op dit moment, maar na met enkele medereizigers gesproken te hebben blijkt dat wel mee te vallen. Mind your own business, stay out of politics and you'll be fine. Besides, ik wil echt de ping-pongshow zien in Bangkok (het heeft niets te maken met Jean-Michel Saive te maken, look it up). So fuck it, Thailand it is.
"Er komt een moment in de reis van elke backpacker wanneer de motivatie wat begint te tanen, dat je het gevoel krijgt alles wel al een keer gezien of gedaan te hebben. Bij de meesten komt dit moment tussen de zes en acht maanden onderweg." Het is een zin uit een artikel dat ik een vier maanden geleden ergens gelezen heb in een of ander reismagazine, en tot voor kort altijd weggelachen heb. Ik, ongemotiveerd en te lui om de toerist te gaan uithangen? Onmogelijk! En in the unlikely event dat het toch zover komt hoef ik slechts een vlucht huiswaarts te boeken, geen nut om verder te reizen als het me niet meer interesseert.
BACKPACKER FACTORIESNu, na 75 dagen Australië blijkt die uitspraak toch een kern van waarheid te bevatten, en moet ik mijn gedachten eromtrent toch wat reviseren. First off, zin om naar huis te gaan heb ik hoegenaamd nog niet. Heimwee naar een Westmalle Tripel of een Nijdropfuif steekt af en toe wel de kop op, maar die dingen lopen niet weg (zoja, vang en bewaar mij een bak Westmalle, klinkende zilverlingen zullen uw beloning zijn!). Aan de andere kant ben ik niet zo heel impressed met Australië. Toegegeven, het landschap is zonder meer mooi dus als je een natuurmens bent kom je hier zeker aan je trekken. Maar persoonlijk kan ik geen weken aan een stuk tussen bergen of bossen rondlopen en nog steeds datzelfde waaw-gevoel behouden dat je ervaart bij de eerste aanblik van een uitgestrekte bergenpartij of klaterende waterval. Na een paar dagen heb ik mijn fix wel gehad en wil ik wel eens iets anders gaan doen (het feit dat regenwouden en oceanen hier vol giftige spinnen, slangen, kwallen en andere beesten zit helpt ook al niet). En het is daar dat het mij soms wat tegenvalt, want behalve een unieke natuur heeft Australië niet zoveel origineels te bieden vind ik. De hele Gold Coast doet zwaar denken aan Miami, vol gebronsde spierbundels en plastieken grieten die zo hard proberen om hip te zijn. Sydney is ok en Melbourne is beter dan Sydney, heeft een leuke sfeer en lots of things going on maar beide zijn nog een heel eind verwijderd van pakweg Berlijn of Hong Kong.
Hier rondtrekken is ook zo makkelijk, aangezien alles 100% Westers is, iedereen Engels praat en het hele land afgestemd is op toerisme en backpackers. Dat lijkt ideaal maar heeft soms nefaste effecten. Bijvoorbeeld op het vlak van hostels, en dan praat ik over de zogenaamde flashpackers of backpacker factories. Dit zijn hostels op massieve schaal (een paar 100 bedden is geen uitzondering) die zo commercieel gerund worden dat ze elk spatje personaliteit ontbreken. Ze hebben steeds een eigen bar (eigen en goedkopere drank meebrengen is dus verboden) waar altijd de grootste kutmuziek speelt, internet kost stukken van mensen en ze zitten vol uitbundige 18-jarigen. Goed voor een paar dagen maar daarna erger je je al snel aan zo'n circus. Als je ergens wat langer wil blijven zoek je beter een kleinere jeugdherberg met wat meer charme, iets wat ik in Sydney en Melbourne doe (in Melbourne loopt de eigenaar er constant stoned bij en liggen de kamers vol rommel, my kinda place). Het gevaar is dan wel dat je soms dagen aan een stuk niet uit het hostel geraakt (zie later).
Nu weet ik dat veel mensen niet met mij akkoord zullen gaan (maar dit is nog steeds mijn blog so fuck off) en dat ik bijlange nog niet alles gezien heb van dit land, maar qua uitdaging is dit toch eerder miniem. Goed om de reis mee te beginnen misschien, maar als je van Azië komt is het niet veel nieuws onder de zon.
SNIT & NAADDe gedachte "meh, weer stranden, weer een stad die 80% dezelfde is dan wat ik al gezien heb" duikt dan ook soms op in mijn hoofd. De goesting om de resterende 20% te gaan verkennen is bijgevolg niet altijd even groot, en voor je het weet zijn er weken voorbijgegaan zonder dat je nog maar (langer dan twee uur) het hostel verlaten hebt. Wat doe je dan ganse dagen in een hostel hoor ik jullie vragen? Terechte vraag, en het eerlijkste antwoord is waarschijnlijk "niets". Toch niets productief over het algemeen anyway, behalve the odd exception wanneer je wat kleren repareert (mijn short is ondertussen een patchwork van alle soorten draad en stoffen winkelzakken) of mosselen kookt, and you know it's a sad thing als je dat laatste al als productief bestempelt. Een gemiddelde dag bestaat uit opstaan (in 90% van de gevallen toch), wat eten maken, een boek lezen of film kijken terwijl je wat met de andere gasten keuvelt, en tegen de avond een uitstapje naar de liquor store of pub voor een paar pinten. Je kan je afvragen of je daarvoor naar de andere kant van de wereld moet komen, maar om er me een schuldgevoel over aan te praten ben je aan het verkeerde adres. Het blijft namelijk good fun (getuige het bierbuikje dat ik de afgelopen maanden bijeen gespaard heb). Zoals een zekere wijsgeer uit Opwijk placht te zeggen: "niets dat zo snel went als niets doen".
Moest het nu allemaal wat goedkoper zijn zou ik het hier misschien nog wat langer kunnen uithouden, maar na een blik op het budget wordt snel duidelijk dat dat geen optie is. Tijd om af te ronden dus, en dat doe ik met een laatste vijf dagen in Cairns. Wat snorkelen op het Great Barrier Reef, beetje zwemmen in afgelegen meertjes in het bos, het is een mooie afsluiter.
Vraag is nu wat de volgende bestemming is. Het budget mag het dan geen maand meer uithouden in Australië, in Zuidoost-Azië kan ik me datzelfde geld wel nog makkelijk een paar maanden bezighouden. Ziehier het nieuwe (en laatste) luik van mijn travels: beginnen in Singapore, verder via Maleisië, Thailand, Laos en Cambodja, om te eindigen in Vietnam. En tegen dan zal ik wel finaal blut zijn denk ik. Maar dat is nu nog niet.