Waar was ik ook alweer gebleven? Juist, Bangkok. Again. Het is ongeveer een week geleden sinds het leger de protesten van de roodhemden brutaal de kop heeft ingedrukt, en ik heb de indruk dat het toerisme door het aanhoudende geweld toch een knauw heeft gekregen (ondertussen zijn visums naar Thailand gratis geworden trouwens, kwestie van de interesse weer wat op te vijzelen). Je zou voor minder, gezien het zichtbaar verhoogde aantal agenten op straat en uitgaansverbod vanaf elf uur 's avonds. Goed om de orde te bewaren in deze labiele periode, slecht nieuws voor de fans van een stevige avond uit in late night gogobars of pingpong shows. Het zal mij echter een zorg wezen, dat vertier heb ik vorige keer gehad en is niet de reden voor mijn herhaalde bezoek. De reden heet Tine, komt uit Denemarken en is sinds kort mijn nieuwbakken girlfriend. Jaja het kan snel gaan soms.
ZWETENDE VORSTSamen verkennen we Bangkok voor een tweede keer, al kan de omgeving ons niet echt schelen en blijven de activiteiten beperkt tot aan het zwembad liggen, vastzitten op bussen in het drukke verkeer (twee uur voor een rit van acht kilometer, enerverend) en andere dingen die je zoal doet met een nieuw lief (verplicht om elf uur in je hotelkamer moeten zijn is nog zo slecht niet after all). Toch zijn er een paar dingen die ik vorige keer niet bemerkt had en me nu plots opvallen, zoals de ongebreidelde liefde van de Thais voor hun koning. Overal zie je zijn portret opduiken, waaronder een bijzonder grappige foto van een overvloedig zwetende vorst die een papier bestudeert. Onderschrift: The king sheds beads of sweat while he studies construction plans. Blij om weten dat ik niet de enige ben die destijds gezweet heeft achter mijn schoolboeken. Waag het echter niet met de monarch te lachen, op het openbaar belachelijk maken van de koning staan straffen die zover kunnen gaan als jail time. Het is ook de gewoonte om op tijd en stond recht te staan om de man te eren tijdens de nationale hymne: net voor het begin van een film in de cinema of boxing match, of op gezette tijdstippen in het openbaar. Lig je wat te niksen in een park en plots klinkt muziek uit luidsprekers en staat iedereen rondom je recht. Sire, er zijn nog Thais!
In datzelfde park worden we trouwens geconfronteerd met de lokale gedragscodes inzake uitingen van liefde in het openbaar. As in: none are allowed. Na een paar kussen staat er ineens een veiligheidsagent naast je die je duidelijk maakt dat je daar maar beter mee ophoudt. Het lijkt me zeer tegenstrijdig, 's nachts en achter gesloten deuren halen vrouwen overal ten lande acrobatische trukken uit met hun vagina, maar in het openbaar is handjes vasthouden zowat het enige wat toegestaan is. Er zijn nog wel verschillen met wat wij in het Westen gewoon zijn, en die verschillen gelden vooral voor vrouwen. Loop je als vrouw bijvoorbeeld alleen en kortgerokt op straat dan gaat men er van uit dat je op zoek bent naar een boyfriend en zal men je, zonder er doekjes om te winden, allerlei voorstellen komen doen. Of als je als koppel gaat eten en de vrouw betaalt, dan krijgt de man steeds het wisselgeld terug terwijl men de eerste straal negeert. Nu, aan dat laatste kan ik nog wel wennen moet ik zeggen, maar de tijd is helaas beperkt en na een week is het moment alweer gekomen om afscheid te nemen. Met een afscheidskus op zak en de wetenschap dat Tine deze zomer naar België komt stap ik op de bus voor yet another twelve hour ride naar Cambodia.
Misschien even uitweiden over bussen in Zuidoost-Azië: als je hier lange afstanden wil overbruggen kom je automatisch terecht bij een van de vele tour operators, die allen - zeer misleidend - een groot "tourist information" bord boven hun shop hangen hebben, maar in feite private bedrijven zijn. Geen gratis info en behulpzame mensen die je vanuit een objectief standpunt de goedkoopste of beste opties aanbieden zoals we dat gewoon zijn in Europa, maar businesses die elk voor eigen winkel verkopen. Het voordeel is wel dat ze met tientallen tegelijk opduiken in de stadscentra (hoera voor de vrije markt en bijgevolg concurrentieprijzen) en trips aanbieden op maat voor backpackers: je wordt opgepikt voor je hostel en in één ruk naar je bestemming gebracht. Openbare bussen - als die er al zijn - vertrekken meestal een goed eind uit het centrum, vereisen verschillende overstappen en betekenen steevast een hoop geklooi omdat geen enkele bestuurder of loketbeambte Engels kan en je zelf alles maar moet ontcijferen. De totale winst als je deze optie kiest bedraagt misschien enkele euro's per rit, ergernissen en frustraties krijg je er gratis bij. De reden waarom tour operators hun prijzen zo laag kunnen houden is simpel: elk restaurantje waar de bus stopt voor lunch of dinner betaalt premies aan de bus company. Jij betaalt minstens het dubbele voor je eten, de winst wordt gedeeld. Andere verborgen kosten kunnen zijn - zoals in dit geval - het dubbele betalen voor een - hier Cambodiaans - visum. Als je dan wat tegenpruttelt en erop wijst dat het aan de grensovergang goedkoper is krijg je te horen dat dat veel te lang gaat duren en de bus daar niet op kan wachten. Met andere woorden: betalen of we laten je achter. Nice.
ANGKOR WATVerdere verrassingen worden me echter bespaard en een paar uur later arriveer ik in Siem Reap, vanwaar je de number one tourist attraction van Cambodia kan bezoeken: Angkor Wat. Deze tempel wordt beschouwd als het grootste religieuze bouwwerk ter wereld en maakt deel uit van een heel complex, Angkor Thom genaamd, dat meer dan 800 jaar oud is en verspreid ligt over negen vierkante kilometer. Dit complex was de laatste hoofdstad van het rijk van de Khmer. Mijn tempelemmer is ondertussen al behoorlijk gevuld, maar voor Angkor heb ik bewust nog een paar druppels overgehouden, en blij toe. De logistieke inspanning om indertijd al deze heiligdommen neer te poten moet gigantisch geweest zijn en bijzonder goed uitgevoerd, aangezien de dingen er nog steeds staan (mits enige restauraties) en nog steeds imponeren. Men is hier dan ook bijzonder trots op Angkor, het silhouet van deze hindoeïstische tempel is het nationale symbool en op zowat alles terug te vinden: de nationale vlag, papiergeld, bierblikken. Het zal ook wel een beetje uit noodzaak zijn vermoed ik, want veel meer heeft dit land niet echt te bieden voor de average toerist. Er zijn de killing fields en de geschiedenis daarachter in Phnom-Penh, maar al lokken die veel bezoekers, the legacy of Pol Pot is nu niet iets om fier op te zijn.
Na een bezoek aan die laatste, en S-21 (de gevangenis waar de slachtoffers van de Rode Khmer ondergebracht werden voor ze afgemaakt werden op de killing fields) rond ik dan ook mijn blitzbezoek aan Cambodia af. Een beetje spijtig eigenlijk, ik heb hier niets dan vriendelijke mensen tegengekomen. Straatarm, maar schijnbaar tevreden met wat ze hebben. Het is een constante, hoe minder toerisme, hoe vriendelijker en meer open de locals zijn. Maar ik wil de tijd die me nog rest doorbrengen in het laatste land op de agende, kwestie van dat tenminste grondig te kunnen doen.
FRISSE HANDJESEnter Vietnam, nog zo'n land dat officieel communistisch is (de rode vlag met hamer en sikkel is nooit ver weg in het straatbeeld en Ho Chi Minh is nog steeds een nationale held) maar dat in de praktijk, naar Chinees voorbeeld, het kapitalisme omarmt. De economie kent al reeds een decennia een niet-aflatende groei, en werkloosheid is quasi onbestaande. Al moet dat laatste met een korrel zout genomen worden, kerels die op hun brommer liggen te dutten en om de paar uur eens een toerist vervoeren voor een (paar) dollar worden beschouwd als "on the job".
Het is moeilijk om niet te houden van dit land, met zijn rijstvelden, kegelhoeden waar tandenloze oudjes onder schuil gaan en floating markets, al maakt men het je soms wel verdomd lastig. Toersime is big business hier en dat zul je geweten hebben. Je wordt letterlijk elke tien meter aangeklampt door verkopers van fruit, boeken, petjes of andere brol, en motordrivers hebben de nasty gewoonte om je te achtervolgen op straat om je tegen betaling te vervoeren ("Where you go sir? Motorbike?"). Dat constant negeren en nee zeggen kan behoorlijk op de zenuwen werken, en af en toe krijg je wel eens een onverwachte repliek (in dit geval van een tienjarig meisje): "Buy something sir?" -No thanks, I'm fine. "Well fuck you then, you bloody cock!". Aah kids nowadays.
Dat je als westerling in Zuidoost-Azië het dubbele tot tiendubbele van de normale prijs neertelt, daar was ik onderhand al aan gewoon. Maar de creativiteit van sommige Vietnamezen om je geld afhandig te maken reikt bijwijlen wel zeer ver. Zo plaatst men soms kleine extra bordjes naast je bestelde maaltijd (waarvan jij denkt dat ze bij hetzelfde gerecht horen - think again) om je dan extra aan te rekenen als je ze nog maar aangeraakt hebt. Een keer heb ik zelfs meer moeten betalen omdat ik een - toegegeven, fancy lemon-smelling - serviet had gebruikt. Afgezet, maar toch lekker frisse handjes om de middelvinger mee op te steken! Of je buschauffeur die je, tegen de afspraak in, niet in het centrum afzet maar ergens daarbuiten zodat de lokale motordrivers er ook nog iets aan hebben. Frustrerend, zeker als die beide dingen je op eenzelfde dag overkomen. Maar goed, it's all in the game I guess, en gezien mijn high spirits van de laatste weken kan ik veel hebben.
Ik begin in Saigon (officieel Ho Chi Minh City, alhoewel niemand die benaming gebruikt) en dat is meteen een mooie vuurdoop wat bustling Vietnamese city life betreft. Er zijn meer brommers dan inwoners in deze stad en dat vertaalt zich in crazy traffic. De straten zitten tjokvol met ongeduldige chauffeurs die blijkbaar niets liever doen dan claxonneren. Het is hun signaal om te zeggen dat je uit de weg moet gaan, dat ze eraan komen (alsof je dat nog niet doorhad), dat ze je aan het voorbijsteken zijn. Letterlijk elke reden lijkt goed genoeg om nog wat meer decibels toe te voegen aan het oorverdovende lawaai dat van de straten opstijgt. De eerste gedachte die bij je opkomt bij het aanschouwen van deze - schijnbare - chaos is: hoe geraak ik hier in godsnaam aan de andere kant van de straat? Het systeem dat je thuis gebruikt - kijk links, dan rechts, wacht tot er niets aankomt en steek over - is niet toepasbaar want er is nooit een gaatje om je tussen te wurmen. Je krijgt de neiging om het op een lopen te zetten en je zo snel als je benen je kunnen dragen naar de overkant te reppen, maar dat is iets wat je vooral niet moet doen als je diezelfde benen liefhebt. Al snel leer je dat ze zo hun eigen systeem hebben. Het druist in tegen alle verkeersveiligheidsregels dat je ooit in de lagere school geleerd hebt, maar het komt erop neer dat je het verkeer gewoon negeert en je je met een slakkengangetje de straat op begeeft. Bestuurders zien dit, passen hun route aan en laveren om je heen. Het klinkt geschift maar het werkt, en na een paar dagen heb ik voldoende zelfvertrouwen opgebouwd om mij al eens verder dan two blocks down the road te wagen.
Zo beland ik onder andere in het war remnants museum, dat de gruwelen van de Vietnamoorlog in beeld brengt, en de gevolgen daarvan die het land nu nog steeds ondervindt. Zoals de misvormde kinderen die nog elke dag geborden worden als gevolg van de massa's Agent Orange die de Amerikanen destijds gedropt hebben. Geen mooie plaatjes, let me tell you.
THE FINAL STRETCHVan Saigon maak ik even een detour langs de Mekong-delta voor een paar dagen, een zeer vruchtbare streek waar de Mekong via allerlei zijkanalen uitmondt in de zee. Zeer fascinerend om te zien hoe mensen hier het maximum uit de rivier en natuurlijke hulpbronnen halen. Niets wordt weggegooid bijvoorbeeld, zelfs de schillen van onbeduidend kleine vruchten zoals lychees worden verzameld en hergebruikt als brandstof. Nu, "hergebruikt als brandstof" klinkt fancy voor wat het eigenlijk is: in de stoof rammen en opfikken. Maar toch, het illustreert mede hoe spaarzaam men hier omspringt met wat men heeft. De Mekong-delta is tevens de thuis van de floating markets, letterlijk drijvende markten. Shoppen doe je door met je bootje te navigeren tussen de verkopersboten, de producten die verkocht worden (uitsluitend levensmiddelen) zijn op een stok gebonden op het dek. Very clever indeed.
En met een bussel prei en een kilo zwoerd onder de arm begin ik dan aan de laatste rechte lijn: noordwaarts tot in Hanoi. De trip voert me langsheen oude historische dorpskernen, immense rijstvelden en snikhete stranden, om me uiteindelijk in de hoofdstad te brengen, waar ik nog een week rondlummel alvorens naar Europa terug te keren. Dat is nog mijn favoriete bezigheid in Azië uiteindelijk: rondlummelen. Bestuderen hoe de locals hun dagen vullen. Marktjes afschuimen en kikkers ter plaatse de kop zien ingeslagen worden terwijl vliegen zich op de vers geslachte kippen ernaast storten, en je voeten almaar zwarter worden van in het afvalwater en drek te trappelen dat overal op grond ligt. Ice coffee drinken en sigaretten roken in een van de vele straatstalletjes. Discussiëren over een luttele tien cent bij de aankoop van een fles water. Deze heel andere wereld verkennen en in je opnemen. En je kan wel stellen dat ik een fan ben.
En zo is het er hier bijna mee gedaan. Van Hanoi vlieg ik naar Bratislava voor nog eens tien dagen, op woensdag 14 juli arriveer ik terug op Belgische bodem en is het afgelopen met bijna een jaar de toerist uit te hangen. Enerzijds zie ik er naar uit: opnieuw Westmalle Tripel, fritten van de Ring en knuffels van Archy, anderzijds betekent het ook gedaan met the backpacker life. En dat is een leven dat ik me ondertussen al goed eigen heb gemaakt en zeker ook zal missen: de afwezigheid van verantwoordelijkheden zoals werken (ik zou de zin hier eigenlijk al kunnen stoppen), elke dag nieuwe dingen ontdekken en interessante mensen ontmoeten, er als een stinker bijlopen en constant je eigen zin kunnen doen. The world is yours zou Tony Montana zeggen. It sure was the past year.